badvrouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·vrouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badvrouw badvrouwen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

badvrouw v [1]

  1. (beroep) vrouw die vrouwen helpt bij het baden
    • ‘Wat moet ik nou tegen de badvrouw zeggen?’ vroeg mevrouw Jorissen den volgenden dag, toen zij voor de badinrichting heen en weer liep in afwachting van hare beurt. ‘Je moet maar met me meegaan dan kun je met dat mensch praten.’ [2] 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 3(1893) Door Fides. Eene Badkuur by pastoor Kneipp.