baden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Baden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
baden
baadde
gebaad
zwak -d volledig

Werkwoord

baden

  1. inergatief een bad nemen
    • Hij baadt in de Dode Zee ter behandeling van zijn huidaandoening. 
    • Zij baadden in weelde. 
  2. in bad doen
    • Hij baadde de kinderen iedere avond voor het slapen gaan. 
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bidden

baden

  1. meervoud verleden tijd van bidden
    • Wij baden. 
    • Jullie baden. 
    • Zij baden. 

Zelfstandig naamwoord

baden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bad

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelhoogduits en Oudhoogduits
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
baden
badete
(hat) gebadet
volledig

Werkwoord

baden

  1. onovergankelijk baden
  2. onovergankelijk zwemmen
  3. overgankelijk baden
  4. overgankelijk, (figuurlijk) mislukken
  5. overgankelijk, (figuurlijk) moeten betalen, verantwoorden
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: in Schweiß baden
in het zweet baden
  • [2]: Baden verboten!
Zwemmen verboden!
  • [2]: nackt baden
naakt zwemmen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: (übertragen) baden gehen
(figuurlijk) schipbreuk lijden


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·den
Naar frequentie 24932

Zelfstandig naamwoord

baden

  1. nominatief bepaald onzijdig meervoud van bad