baddoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

baddoek
Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baddoek baddoeken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

baddoek m [1]

  1. handdoek die men gebruikt in de badkamer na het baden of douchen
    • Modern en eco is men door de heerlijke dikke gekleurde handdoeken te vervangen door grote grauwe lappen van wafeldoek. Wafeldoek. Jawel. Het was helemaal uitgestorven behalve als keukendweiltje, en niet ten onrechte, want prettig waren linnen of katoenen baddoeken nooit. [2] 
    • Half naakt op een tafeltje waarop ze een baddoek had gespreid, tegen de achtergrond van een slordig geschilderd strand met palmbomen. Het kind begon vreselijk te huilen, rammelaars en troostende woordjes hielpen niet, ze werd opgetild en gesust, voorzichtig weer op de baddoek gelegd, waarop ze weer begon te gillen. [3] 
    • Picanol lanceerde in september een nieuwe luchtweefmachine, de TERRYplus 800, speciaal ontwikkeld voor het weven van badstoffen. "Dit past binnen onze strategie om elk jaar een nieuwe machine op de markt te brengen. Deze machine wordt volledig in Duitsland gemaakt en is bedoeld voor het nichesegment van de baddoek", vertelt Dryhoel. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.


Verwijzingen