bidden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bid·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gebed richten tot God, smeken’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bidden
bad
gebeden
klasse 5 volledig

Werkwoord

bidden

  1. inergatief (religie) in gebed zijn, een godheid iets vragen
    • Voor het slapen bid ik altijd mijn avondgebed. 
     Mijn zondagochtendlijke fietstochten leidden me de afgelopen jaren echter niet langer naar kerkgebouwen, maar ik voelde me steeds meer aangetrokken tot de natuur. Toen ik aan het lopen was, werden Yosemite en Kings Canyon mijn kathedralen. In de natuur vind ik rust en vrede om na te denken en te bidden.[3]
  2. inergatief dringend iets vragen, smeken
    • Ik heb gesmeekt en gebeden bij de gemeente om eindelijk eens die gevaarlijke spoorwegovergang te sluiten. 
  3. inergatief (ornithologie) (van vogels) klapwiekend stilhangen in de lucht
    • Ik zag hoog in de lucht een valk bidden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen