zomer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • Verwant met het Oudindische sama (jaargetijde, jaar). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zomer zomers
verkleinwoord zomertje zomertjes

Zelfstandig naamwoord

zomer m

  1. (meteorologie) jaargetijde tussen lente en herfst
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Één zwaluw maakt nog geen zomer.

  • Slechts één positief teken duidt nog niet op een volledig herstel, volledige winst enz.

De zomer is dood.

  • De zomer is voorbij (o.a. in Voorstad van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot).
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen