zomeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zomeren
zomerde
gezomerd
zwak -d volledig

Werkwoord

zomeren

  1. onpersoonlijk typisch zomerweer vertonen
    • Het is al juli en het wil nog steeds niet zomeren. 
Hyponiemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.