zomerhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·mer·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zomerhuis zomerhuizen
verkleinwoord zomerhuisje zomerhuisjes

Zelfstandig naamwoord

zomerhuis o

  1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
    • Zij denken erover een zomerhuisje te kopen in het zuiden. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie