zomerstop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·mer·stop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zomerstop zomerstops
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zomerstop m

  1. rustperiode in de zomer waarin een bepaalde (sport)activiteit niet wordt uitgevoerd
    • De twee Nederlanders schoten na de zomerstop direct uit de startblokken met Die Schwarzgelben. Vervolgens ging het echter heel snel heel slecht. "Hoe apart het ook klinkt, het ging bergafwaarts nadat verdediger Lukasz Piszczek geblesseerd raakte", aldus Krüzen in gesprek met Tubantia.[1] 
    • De Duitse kopman van Ferrari stond halverwege het seizoen nog aan kop in de WK-stand, maar verspeelde zijn kansen na de zomerstop door technische problemen, botsingen én een gebrek aan snelheid. "Over het geheel gezien was Lewis de beste, hij heeft het beter gedaan, zo simpel is het", zei Vettel na de Grote Prijs van Mexico.[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 30 dec. 2017
  2. de Telegraaf 30 okt. 2017