herfst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • herfst
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘najaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050 [1]
  • Het eerste deel is te herleiden tot de Proto-Indo-Europese wortel kerp- met het achtervoegsel -st. Het woord betekende oorspronkelijk "oogsttijd".
  • Verwant
Duits: Herbst
Engels: harvest (oogst),
Grieks: καρπός (boomvrucht, veldvrucht)
Latijn: carpere (plukken)
Oudindisch: krpana (zwaard).
enkelvoud meervoud
naamwoord herfst herfsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

herfst m

  1. jaargetijde tussen zomer en winter
    • In de herfst worden de dagen steeds korter. 
     Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden als pierewiet, zeker bij herhaling uitgesproken, kun je hem wakker maken. Mooie, grappige klank. De herhaling van de ie, de rollende r. Hij lacht uitbundig bij een gezongen pierewiet. Nog een keer, dat refrein. En nog eens.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen