herfst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • herfst
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘najaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050 [1]
  • Het eerste deel is te herleiden tot de Proto-Indo-Europese wortel kerp- met het achtervoegsel -st. Het woord betekende oorspronkelijk "oogsttijd".
  • Verwant
Duits: Herbst
Engels: harvest (oogst),
Grieks: καρπός (boomvrucht, veldvrucht)
Latijn: carpere (plukken)
Oudindisch: krpana (zwaard).
enkelvoud meervoud
naamwoord herfst herfsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

herfst m

  1. jaargetijde tussen zomer en winter
    • In de herfst worden de dagen steeds korter. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen