zomers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·mers
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zomer met het achtervoegsel -s

Zelfstandig naamwoord

zomers

  1. (verouderd) genitief van zomer

Zelfstandig naamwoord

zomers mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zomer
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zomers zomerser zomerst
verbogen zomerse zomersere zomerste
partitief zomers zomersers -

Bijvoeglijk naamwoord

zomers

  1. typerend voor de zomer
    • Zonnebaden aan de kust is een typisch zomerse activiteit. 
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op z'n zomers gekleed zijn
    • lichte kledij dragen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.