lente

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Lente geschilderd door Giuseppe Arcimboldo

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • len·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorjaar’ voor het eerst aangetroffen in 1050 [1]
  • (erfwoord) van Middelnederlands lentin,dat kan teruggaan op Protogermaans *langa-tina- "lange dagen" of *langat-īn- "verlenging" [2][3][4]
enkelvoud meervoud
naamwoord lente lentes
verkleinwoord lentetje lentetjes

Zelfstandig naamwoord

lente v/m

  1. (meteorologie) eerste jaargetijde, één van de vier seizoenen
    • In de lente worden de dagen steeds langer. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Een nieuwe lente, een nieuw geluid (uit het gedicht mei van Herman Gorter)
  • Een zwaluw maakt de lente niet
  • (...) lentes tellen
    • Zoveel jaar oud zijn.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

lente

  1. vrouwelijk enkelvoud van lent


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • len·te
enkelvoud meervoud
lente lentes

Zelfstandig naamwoord

lente m / v

  1. bril
  2. lens