nazomer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

nazomers weer
Uitspraak
Woordafbreking
  • na·zo·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nazomer nazomers
verkleinwoord nazomertje nazomertjes

Zelfstandig naamwoord

nazomer m [1]

  1. de periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
    • Ze duiken iedere zomer en nazomer wel ergens op in zwem- en zeilvijvers, en ook nu is het weer van dattum. Van de Canarische Eilanden tot Onkerzele wappert de rode vlag: verboden in het water te gaan, wegens woekerende blauwalgen. Tiens: waren dat niet de beestjes waar we er net meer van wilden, om ons van het CO2-probleem af te helpen? [2] 
    • Het is de bedoeling dat de KRO-NCRV de nieuwe Kameleon-serie in het voorjaar van 2018 gaat uitzenden. Regisseur De Jong verwacht dat er op korte termijn ook een nieuwe bioscoopfilm van De Kameleon gaat komen. Deze zou in de nazomer van 2018 in de theaters te zien moeten zijn. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard MAANDAG 14 AUGUSTUS 2017
  3. Tubantia 20-08-2017