voorzomer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·zo·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorzomer voorzomers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voorzomer m [1]

  1. eerste deel van de zomer
    • De Zuid- en Oost-Europeanen zouden juist wat regen kunnen gebruiken. De Italianen kreunen al wekenlang onder temperaturen van ruim boven 30 graden, de heetste voorzomer sinds 50 jaar in het land. [2] 
    • Dankzij de warme winter en de vochtige voorzomer beleven overigens ook andere insecten een toptijd. [3] 
    • Het zou een vreselijke zomer vol stekende dieren worden. De afgelopen winter was de op één na warmste van de afgelopen driehonderd jaar en dat leek een voorbode te zijn voor een jaar vol ongedierte. Maar de heftige onweers- en hagelbuien in de voorzomer zorgden voor een slachting onder wespen en bijen. Het lijkt dit jaar dus mee te vallen met deze dieren. [4] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[5]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 10-07-12 Europa kampt met hitte en overstromingen
  3. Tubantia Annemieke van Dongen en Hanneke van Houwelingen 10-01-17 Muggenplaag in Nederland: hordeur best verkocht
  4. Tubantia 22-07-14 Overlast ongedierte in Twente en Achterhoek
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be