zomerhitte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·mer·hit·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zomerhitte
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zomerhitte v

  1. (meteorologie) de warmte in de zomer
    • Wij genoten van de zomerhitte na de lange en koude winter. 
    • De zomerhitte en de winterkoude zijn niet zo gezond voor kwetsbare ouderen. 

Meer informatie

Gangbaarheid