kansrijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kans·rijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kansrijk kansrijker kansrijkst
verbogen kansrijke kansrijkere kansrijkste
partitief kansrijks kansrijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

kansrijk

  1. (veel) kans op succes hebbend.
    • Maar zijn die aanvragen ook kansrijk? 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie