rijkdom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijk·dom
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het rijk-zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • Afgeleid van rijk met het achtervoegsel -dom.
enkelvoud meervoud
naamwoord rijkdom rijkdommen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijkdom m

  1. (economie) het bezitten van veel geld en goud
    • Hij leefde in grote rijkdom. 
  2. het bezitten van andere waarden zoals geluk
    • Hij had niet veel geld, maar beschouwde zijn gezin en zijn gezondheid als rijkdom. 
  3. gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
    • De rijkdommen die hij daar te zien kreeg, verbijsterden hem. 
  4. overvloed
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen