rijksdeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijks·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijksdeel rijksdelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijksdeel o [1]

  1. overzees deel van een natie
    • Schadevergoedingen en herstelbetalingen konden eind jaren veertig/ begin jaren vijftig niet op de goodwill van de toenmalige minister van Financiën Lieftinck (PvdA) rekenen. Dat hebben niet alleen de overlevenden van de Holocaust moeten ondervinden, maar ook de slachtoffers van de Japanse bezetting in het toen nog Nederlandse ‘Rijksdeel in de Oost’. [2] 
    • Daardoor is het velen ontgaan hoe verbindend de honkballers in de relatie tussen de overzeese rijksdelen en Nederland zijn geweest. [3] 
    • Johan Ferrier en zijn echtgenote Edmé in 1968 tijdens de receptie in verband met zijn benoeming tot gouverneur van het rijksdeel Suriname. Op de voorgrond dochters Joan (rechts) en Kathleen [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen