Naar inhoud springen

karig

Uit WikiWoordenboek
  • ka·rig
  • In de betekenis van ‘schraal, gierig’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • met het achtervoegsel -ig [2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen karigkarigerkarigst
verbogen karigekarigerekarigste
partitief karigskarigers-

karig

  1. zuinig, gierig, armoedig, gering
    • Eenkarig.  loon.
    • Een karig.  belegde boterham.
     De rest is geschiedenis, gedetailleerd te zien op de expositie in Assen. Achter het podium met de oude gitaren hangt het scherm waarop de films te zien zijn van de Amerikaanse bluesreizen die Muskee maakte met Albert Haar. Daar zijn ook de beelden te zien van het karige Tutwiler, Mississippi, waar ze op zoek gingen naar het graf van Sonny Boy Williamson II.[3]
97 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]