karig
Uiterlijk
- ka·rig
- In de betekenis van ‘schraal, gierig’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
- met het achtervoegsel -ig [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | karig | kariger | karigst |
| verbogen | karige | karigere | karigste |
| partitief | karigs | karigers | - |
karig
- zuinig, gierig, armoedig, gering
- Eenkarig. loon.
- Een karig. belegde boterham.
- ▸ De rest is geschiedenis, gedetailleerd te zien op de expositie in Assen. Achter het podium met de oude gitaren hangt het scherm waarop de films te zien zijn van de Amerikaanse bluesreizen die Muskee maakte met Albert Haar. Daar zijn ook de beelden te zien van het karige Tutwiler, Mississippi, waar ze op zoek gingen naar het graf van Sonny Boy Williamson II.[3]
- Het woord karig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "karig" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "karig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ karig op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron “Window of my eyes: Harry Muskee en de verloren tijd” (zaterdag 16 januari 2016, 13:44), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be