rijksbegroting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

minister van financiën met het koffertje waarin de rijksbegroting zit
Uitspraak
Woordafbreking
  • rijks·be·gro·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijksbegroting rijksbegrotingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijksbegroting v [1]

  1. overzicht van alle geplande inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid uitgesplitst per ministerie voor één jaar
    • Normaal stelt de Nederlandse premier de rijksbegroting voor op Prinsjesdag. Deze valt telkens de derde dinsdag van september. Het is een plechtige aangelegenheid. Het staatshoofd, nu dus koning Willem Alexander, houdt er voor de verzamelde Staten-Generaal de Troonrede. Daarna legt de regering uit welk beleid ze het komende jaar zal voeren, en stelt ze de begroting en de zogenaamde ‘miljoenennota’ - een toelichting bij die begroting - voor. [2] 
    • Een ingewijde stelt dat de rekenexercitie niet veel bijzonders heeft opgeleverd. ,,We zijn er niet steil van achterovergeslagen." Dat is ook niet zo vreemd. De onderhandelaars kennen de systematiek van de rijksbegroting vaak tot in de finesses en wisten daarom wel wat ze ongeveer konden verwachten, klinkt het. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 10 SEPTEMBER 2016
  3. Tubantia Laurens Kok 25-september-2017