rijkelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van rijk met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rijkelijk rijkelijker rijkelijkst
verbogen rijkelijke rijkelijkere rijkelijkste
partitief rijkelijks rijkelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

rijkelijk

  1. overvloedig, niet nauw rekenend
    • Ik wil graag een rijkelijk belegd broodje bestellen. 
     Ik bestelde een lunch bestaande uit vier dikke pannenkoeken, rijkelijk belegd met boter en ahornsiroop.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be