rijksdienst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijks·dienst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rijksdienst rijksdiensten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijksdienst m [1]

  1. overheidsinstantie die werkt voor het hele land en die belast is met een bepaalde taak
    • VDAB, de CVO’s (regionale centra voor volwassenenonderwijs), Jobber.be van Cevora: ze bieden een arsenaal aan technische opleidingen voor volwassenen. “Wist je dat de RVA (Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling) je vrijstelt van de zoektocht naar werk tijdens je voltijdse dagopleiding voor een knelpuntberoep?”, merkt Goedele Van Wichelen ook nog op. [2] 
    • De politie voerde de controle uit samen met de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en de Belastingdienst. Bij de controle werd gebruik gemaakt van een ANPR camera. Met een ANPR (Automatic NumberPlate Recognition) scant een camera kentekens van voorbijrijdende voertuigen. De gelezen kentekens worden vergeleken met een opsporingslijst, waarop kentekens staan van mensen die om welke reden dan ook gezocht worden. [3] 
  2. een baan hebben bij het rijk
    • Hij werkt al vele jaren als ambtenaar in rijksdienst. 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 05/oktober/2017 (gv)
  3. Tubantia 05-oktober-2017