domein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·mein
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebied’ voor het eerst aangetroffen in 1602 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord domein domeinen
verkleinwoord domeintje domeintjes

Zelfstandig naamwoord

domein o

  1. gebied waarin iemand het voor het zeggen heeft (bijv. staatsdomein)
    • Twente is het domein van de Tukkers. 
  2. geestelijk gebied
    • In het domein van de discrete wiskunde is hij een kei, maar verder weet hij niet veel. 
  3. (informatica) een groep computers in een netwerk met een gezamenlijk adres, bijv. een e-mailadres
  4. (natuurkunde) (elektrotechniek) gebied met een bepaalde dimensie (tijd, frequentie)
  5. domeinnaam
  6. (biologie) een taxon dat bestaat uit een of meer rijken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen