domein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·mein
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord domein domeinen
verkleinwoord domeintje domeintjes

Zelfstandig naamwoord

domein o

  1. gebied waarin iemand het voor het zeggen heeft (bijv. staatsdomein)
    Twente is het domein van de Tukkers.
  2. geestelijk gebied
    In het domein van de discrete wiskunde is hij een kei, maar verder weet hij niet veel.
  3. (informatica) een groep computers in een netwerk met een gezamenlijk adres, bijv. een e-mailadres
  4. (natuurkunde) (elektrotechniek) gebied met een bepaalde dimensie (tijd, frequentie)
  5. domeinnaam
  6. (biologie) een taxon dat bestaat uit een of meer rijken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl