rijkaard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijk·aard
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van rijk met het achtervoegsel -aard
enkelvoud meervoud
naamwoord rijkaard rijkaards
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rijkaard m [1]

  1. iemand die heel rijk is
    • Net als Toergenjev, Tolstoj en Tsjechov in hun verhalen stelden de Peredvizhniki in hun schilderijen het leven van gewone Russen centraal. In Repins meesterproef zijn de hoofdrollen niet weggelegd voor historische of mythologische personages, maar voor elf afgepeigerde, zonverbrande buitenboordslaven die langs de oever van de Wolga lopen met een boot aan trekbanden achter zich aan. In andere schilderijen gaat een boerenkind voor het eerst naar de dorpsschool, zit een jongeman met een trekharmonica op een havenhoofd uit te kijken over het water, treuren twee weeskinderen bij een graf en barst een arm meisje in een bruidsjurk in snikken uit omdat ze moet trouwen met een bejaarde rijkaard. (De oude bok kijkt beteuterd toe.) [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC ijsbert van der Wal 3 oktober 2016