grasmaand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gras·maand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grasmaand grasmaanden
verkleinwoord grasmaandje grasmaandjes

Zelfstandig naamwoord

grasmaand v/m

  1. vierde maand van het kalenderjaar
Synoniemen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Oude namen van maanden in het Nederlands
louwmaand
januari
sprokkelmaand
februari
lentemaand
maart
grasmaand
april
bloeimaand
mei
zomermaand
juni
hooimaand
juli
oogstmaand
augustus
herfstmaand
september
wijnmaand
oktober
slachtmaand
november
wintermaand
december