maandelijks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maan·de·lijks
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen maandelijks
verbogen maandelijkse
partitief maandelijks

Bijvoeglijk naamwoord

maandelijks

  1. iedere maand een keer
    • Dit is een maandelijkse bijdrage. 
Hyponiemen
Vertalingen

Bijwoord

maandelijks

  1. iedere maand een keer
    • Wij gaan maandelijks vissen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.