maart

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maart
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Latijnse mensis Martius (de maand van Mars). Mars is de Romeinse oorlogsgod. Het zou geluk brengen in deze maand de oorlog te beginnen.
enkelvoud meervoud
naamwoord maart maarten
verkleinwoord maartje maartjes

Zelfstandig naamwoord

maart m

  1. de derde maand van het jaar
    • In maart begint de lente. 
Schrijfwijzen
Synoniemen
Verwante begrippen


Maanden in het Nederlands
januari februari maart april mei juni juli augustus september oktober november december
Spreekwoorden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Fries

Zelfstandig naamwoord

maart g

  1. maart


Maanden in het Fries
jannewaris, jannewaarje
januari
febrewaris, febrewaarje
februari
maart, meart
maart
april
april
maaie
mei
juny
juni
july
juli
augustus
augustus
septimber
september
oktober
oktober
novimber
november
desimber
december



Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Nederlandse maart en etymologisch gespeld.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  maart     -  

Zelfstandig naamwoord

maart

  1. maart
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: mart.


Maanden in het Papiamento
Bonaire en Curaçao:
Aruba:

yanüari
januari
januari
febrüari
februari
februari
mart
maart
maart
aprel
april
april
mei
mei
mei
yüni
juni
juni
yüli
juli
juli
ougùstùs
augustus
augustus
sèptèmber
september
september
oktober
october
oktober
novèmber
november
november
desèmber
december
december