kerstmaand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerst·maand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerstmaand kerstmaanden
verkleinwoord kerstmaandje kerstmaandjes

Zelfstandig naamwoord

kerstmaand v/m

  1. (kerst) de maand december, de maand waarin Kerstmis wordt gevierd
    • In de hele kerstmaand was de winkelstraat met kerstverlichting versierd.