ja

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

Bijwoord

ja

  1. duidt bevestiging, instemming, toestemming, inwilliging of toegeving aan
    Heeft hij dat echt gezegd? Ja.
    Mag ik nog een stukje taart? Ja.
    Vind jij dat ook? Ja.
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: ja en amen op alles zeggen
met alles akkoord gaan
  • [1]: geen ja en geen nee zeggen
weigeren noch toezeggen
  • [1]: ja kun je krijgen, nee heb je al
wordt gebruikt als bemoediging voor iemand die ertegen opziet om iets te vragen
  • [1]: ja en neen is een lange strijd
wordt gebruikt wanneer er twee het oneens zijn en niemand wil toegeven
  • [1]: iemand geloven bij ja en neen
iemand op zijn erewoord geloven
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Tussenwerpsel

ja

  1. kreet van opwinding
    Ja! We hebben gewonnen!
  2. nou ja: kijk zo simpel is het! dat je dat niet wist!
    Nou ja... Op soortgelijke manier als 'kijk' gebruikt. Als antwoord op een vraag begint bevraagde met 'nou ja....' Dit wekt de suggestie dat het antwoord op de gestelde vraag voor bevraagde heel simpel is. Hij legt het alleen nog weer eens even uit aan de vrager, die het ook niet helpen kan dat hij het nog niet weet. Dat na dit nou ja... vervolgens een niet terzake doend antwoord volgt, lijkt voor bevraagde geen rol te spelen.[1]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

ja o

  1. bevestigend of instemmend antwoord
    Hij antwoordde met een volmondig ja.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. NRC 20-01-2006 Ewoud Sanders


Afrikaans

Bijwoord

ja

  1. inderdaad


Bosnisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • ja

Persoonlijk voornaamwoord

  1. ik


Duits

Bijwoord

ja

  1. ja
Antoniemen


Esperanto

Bijwoord

ja

  1. inderdaad


Fins

Voegwoord

ja

  1. en


Ido

Bijwoord

ja

  1. reeds


Kroatisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • ja

Persoonlijk voornaamwoord

  1. ik


Lets

Voegwoord

ja

  1. wanneer


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja
Naar frequentie 34

Bijwoord

ja

  1. ja


Pools

enkelvoud meervoud
nom. / voc. ja my
accusatief mnie, mię nas
genitief mnie nas
datief mnie, mi nam
locatief mnie nas
instrumentalis mną nami
Uitspraak
Woordafbreking
  • ja

Persoonlijk voornaamwoord

ja

  1. ik


Slowaaks

enkelvoud meervoud
nominatief ja my
genitief ma, mňa nás
datief mne, mi nám
accusatief ma, mňa nás
locatief mne nás
instrumentalis mnou nami
Uitspraak
Woordafbreking
  • ja

Persoonlijk voornaamwoord

ja

  1. ik


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja
Naar frequentie 35

Bijwoord

ja

  1. ja