nam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nam

Werkwoord

vervoeging van
nemen

nam

  1. enkelvoud verleden tijd van nemen
    Ik nam.
    Jij nam.
    Hij, zij, het nam.
Vaste voorzetsels
  • nam op


Bosnisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • nam

Persoonlijk voornaamwoord

nam

  1. aan/voor ons (datief van de eerste persoon meervoud)


Kroatisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • nam

Persoonlijk voornaamwoord

nam

  1. aan/voor ons (datief van de eerste persoon meervoud)


Latijn

Voegwoord

nam

  1. want


Pools

enkelvoud meervoud
nom. / voc. ja my
accusatief mnie, mię nas
genitief mnie nas
datief mnie, mi nam
locatief mnie nas
instrumentalis mną nami
Uitspraak
Woordafbreking
  • nam

Persoonlijk voornaamwoord

nam

  1. aan/voor ons (datief van de eerste persoon meervoud)


Vietnamees

Bijvoeglijk naamwoord

nam

  1. zuidelijk
  2. mannelijk, mannen-
Synoniemen
Antoniemen
  1. bắc
  2. nữ, gái


Xhosa

Enkelvoud Meervoud
Persoon Vorm Persoon Vorm
eerste nam eerste nathi
tweede nawe tweede nani
Klasse Vorm Klasse Vorm
1 naye 2 nabo
3 nawo 4 nayo
5 nalo 6 nawo
7 naso 8 nazo
9 nayo 10 nazo
11 nalo
14 nabo  
15 nako

Voorzetselvorm

nathi

  1. na- + mna: vorm van na- voor de eerste persoon enkelvoud: en/ook ik, met mij
    «Ndiyavuya nam
    Ook ik verheug me.