jagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Het jagen van een vrachtschip (Nat. Archief)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
joeg, jaagde
gejaagd
klasse 6

zwak -d
gemengd

volledig

Werkwoord

jagen

  1. overgankelijk bewegende wezens proberen te vangen
  2. overgankelijk (scheepvaart)(verouderd) het door mens of dier vanaf de wal slepen van schuiten
  3. onovergankelijk snel voortgaan
Vaste voorzetsels
  • [1] jagen op
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈjaːɡən/
Woordafbreking
  • ja·gen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
/ˈjaːɡən/
jagte
/ˈjaːktə/
gejagt
/ɡəˈjaːkt/
volledig

Werkwoord

jagen

  1. jagen