Naar inhoud springen

jagen

Uit WikiWoordenboek
jagen [1]
Het jagen [3] van een vrachtschip (Nat. Archief)
  • ja·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
*jaagde
joeg
gejaagd
klasse 6

zwak -d

volledig

jagen

  1. inergatief, (jachttaal) bewegende wezens (m.n. wilde dieren) proberen te vangen
    • Er wordt ook gejaagd op herten. 
     Wat vinden ze van hem? Hoe zouden ze reageren als ik zou zeggen dat deze gids met zijn verhalen mijn nieuwe liefde is? 'Dus na uren tevergeefs jagen op de inktvis die we aan onze moeders hadden beloofd, zwemt er ineens een murene voor ons langs'.[3]
     Zoals John van Salisbury - niet zonder sarcasme - schreef: 'In onze tijd worden de jacht en de valkenjacht door de adel beschouwd als de meest nobele bezigheden en meest excellente deugden, en zij beschouwen het als het toppunt van geluk om al hun tijd aan deze tijdverdrijven te besteden, en ze bereiden zich daarop voor met meer zorg, kosten en vertoon dan op oorlog; en ze jagen met meer furie op die beesten dan op de vijanden van ons land.[4]
  2. (meteorologie), onovergankelijk (van de wind) hard en vaak luidruchtig blazen
    • De wind joeg door de bomen. 
     De wind joeg door de scheuren van het dak regen als het herfst en sneeuw als het winter was.[5]
  3. overgankelijk (scheepvaart)(verouderd) het door mens of dier vanaf de wal slepen van schuiten
     Vrachtvervoer vereiste geen grote snelheid en geschiedde nog enige tijd per gejaagde schuiten, terwijl ook grotere vrachtzeilschepen bij windstil weer nog werden gejaagd.[6]
  4. onovergankelijk zich snel voortbewegen
    • De auto joeg door kleine dorpjes. 
  • [1] jagen op
  • De onvoltooid verleden tijd jaagde is de oorspronkelijke; de sterke vorm ontstond later door analogie met de vervoeging van dragen (hetzelfde gebeurde bij  vragen ww ). Tegenwoordig is de zwakke vorm vooral gangbaar in bet. 1.
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. "jagen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. jagen op website: Etymologiebank.nl
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275
  5. Bronlink Weblink bron “Een vroege winter”, digitale editie gemaakt naar de eerste druk (1913), p. 8
  6. Bronlink Weblink bron
    Margriet Panman
    “Met de trekschuit op reis vanuit Delft”
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jagen
/ˈjaːɡən/
jagte
/ˈjaːktə/
gejagt
/ɡəˈjaːkt/
volledig
  • IPA: /ˈjaːɡən/
  • ja·gen

jagen

  1. jagen