wel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bron’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1001 [1] [2] [3] [4]
  • In de betekenis "goed" van het Oudnederlandse wala. Via het Protogermaanse *welō verder te herleiden tot Proto-Indo-Europees uelh1-, uolh1-, "kiezen" (zelfde wortel als willen) [4]
stellend
onverbogen wel
verbogen

Bijwoord

wel

  1. een ontkenning weerleggend, vaak geschreven met accentteken
    • Ik denk dat hij het wél gedaan heeft. 
  2. een toegeving makend; weliswaar
    • Hij is wel aanwezig, maar hij let niet op. 
    • Ik heb veel haar op mijn benen en armen, wel nauwelijks zichtbaar omdat ik heel licht ben. 
  3. een grote hoeveelheid van iets benadrukkend, waarbij tegelijk verbazing en/of verwondering wordt uitgedrukt
    • Hij heeft wel zes pannenkoeken naar binnen zitten werken. 
  4. bevestiging zoekend voor iets onzekers
    • Heb je het licht wel uitgedaan? 
    • Klopt dat wel? 
    • Doet deze het wel? 
  5. bevestiging zoekend voor iets dat min of meer vaststaat, iets veronderstellend
    • Je zult wel dorst hebben? 
    • Ach, het zal wel lukken. 
  6. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord, (verouderd) goed, gunstig
    • Hij vaart er wel bij. 
    • weldoen: Doe wel en zie niet om. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Tussenwerpsel

wel

  1. uitdrukking van verbazing
    • Wel, wel, wie hebben we daar! 
  2. gebruikt om iets in te leiden of nader te verduidelijken; welnu
    • Wel, dit ging als volgt.... 
    • Wel, vertel eens op! 
enkelvoud meervoud
naamwoord wel wellen
verkleinwoord welletje welletjes

Zelfstandig naamwoord

wel v/m

  1. een plaats waar water uit de grond tevoorschijn komt
    • Er zit een wel onder onze kelder en dat water moet afgepompt. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
stellend
onverbogen wel
verbogen (alleen
predicaat)

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

wel

  1. gezond, in orde
    • Ik ben niet wel. 
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
wellen

wel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
    • Ik wel. 
  2. gebiedende wijs van wellen
    • Wel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wellen
    • Wel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Bijwoord

wel

  1. wel


Veluws

Bijwoord

wel

  1. wel