nas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Bosnisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • nas

Persoonlijk voornaamwoord

nâs of nas

  1. ons (accusatief van de eerste persoon meervoud)
  2. van ons (genitief van de eerste persoon meervoud)


Catalaans

enkelvoud meervoud
nas nassos

Zelfstandig naamwoord

nas m

  1. (anatomie) neus


Kroatisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • nas

Persoonlijk voornaamwoord

nâs of nas

  1. ons (accusatief van de eerste persoon meervoud)
  2. van ons (genitief van de eerste persoon meervoud)


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
nāre

nās

  1. actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van nāre


Occitaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • nas
enkelvoud meervoud
nas nases

Zelfstandig naamwoord

nas m

  1. (anatomie) neus


Pools

enkelvoud meervoud
nom. / voc. ja my
accusatief mnie, mię nas
genitief mnie nas
datief mnie, mi nam
locatief mnie nas
instrumentalis mną nami
Uitspraak
Woordafbreking
  • nas

Persoonlijk voornaamwoord

nas

  1. ons (accusatief van de eerste persoon meervoud)
  2. van ons (genitief van de eerste persoon meervoud)
  3. bij ons (locatief van de eerste persoon meervoud)