jaknikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·knik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jaknikken


onvolledig

Werkwoord

jaknikken

  1. overal mee instemmen, meningsloos zijn
    • Oh, die zal wel weer jaknikken. 
Opmerkingen
  • De letterlijke actie, bevestigend knikken, wordt los geschreven: ja knikken
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid