mene

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ne

Werkwoord

vervoeging van
menen

mene

  1. aanvoegende wijs van menen


Bosnisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ne

Persoonlijk voornaamwoord

mȅne

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)
  2. van mij (genitief van de eerste persoon enkelvoud)


Deens

Uitspraak
  • IPA: /ˈmeːnə/, /ˈmeːn̩/
Woordafbreking
  • me·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord meina, dit uit het Nederduits.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mene
mener
mente
ment
volledig

Werkwoord

mene

  1. overgankelijk denken
  2. overgankelijk bedoelen
  3. overgankelijk menen, wanen, denken


Kroatisch

enkelvoud meervoud
nom. / voc.
accusatief mȅne, me nâs, nas
genitief mȅne, me nâs, nas
datief mȅni, mi nȁma, nam
locatief mȅni nȁma
instrumentalis mnôm, mnóme nȁma
Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ne

Persoonlijk voornaamwoord

mȅne

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)
  2. van mij (genitief van de eerste persoon enkelvoud)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord meina, dit uit het Nederduits.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mene
mener
mente
ment
Klasse 2 zwak

Werkwoord

mene

  1. overgankelijk denken
    «Mener du at du ikke kan komme?»
    Denkt u dat u niet kunt komen?
  2. overgankelijk bedoelen
    «Det var ikke så galt ment som det var sagt.»
    Het was niet zo verkeerd bedoeld als er gezegd is.
  3. overgankelijk menen, wanen, denken
    «Han mente han så en hest.»
    Hij dacht hij zag een paard.
Schrijfwijzen
Synoniemen