Naar inhoud springen

jawel

Uit WikiWoordenboek
  • ja·wel
  • In de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitroep ter bevestiging’ voor het eerst aangetroffen in 1615 [1]
  • samenstelling van  ja  en  wel  [2]

jawel

  1. ja, antwoordend op een ontkennende vraag
    • Kom je niet mee vanavond? Jawel, ik kom. 
     Maar wat was hij van plan? Ik bracht mijn vinger naar de trekker en bewoog mijn geweer 'O, jawel.[3]
     'Pardon?' 'Moeten wij niet met respect behandeld worden?' 'O jawel, natuurlijk jullie ook,' haast hij zich te zeggen.[4]
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[5]