boer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
boer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boer boeren
verkleinwoord boertje boertjes

Zelfstandig naamwoord

boer m

  1. (landbouw) (beroep) landbouwer, agrariër, landman
    In Groningen wonen rijke boeren op het Hoogeland.
  2. door uitbreiding: iedereen die iets levert of produceert
    ik ga naar de patatboer, even een vette bek halen
  3. (scheldwoord) persoon zonder of met weinig beschaving
    De supporters van PSV worden ook wel uitgescholden voor boeren.
  4. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de 10 en de vrouw ligt
    Bij klaverjassen heet de troef-boer ook wel jas vandaar de term klaverjassen.
  5. geluid dat wordt geproduceerd als lucht uit de maag via de slokdarm naar buiten komt
    De onbeschofte man liet een luide boer.
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boeren

boer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
    Ik boer.
  2. gebiedende wijs van boeren
    Boer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boeren
    Boer je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl