boerenbuiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren·bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boerenbuiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boerenbuiten m

  1. agrarische gebieden; gebieden buiten de stad
    • ‘En de goeie lucht, hé meneer Peeters’, zei de Antwerpenaar, zichtbaar van trots vervuld. ‘Wij in ’t Stad hebben de beste lucht van ’t land. En ’t zal binnenkort nog verbeteren, met die lage-emissiezone. Hier gaan alleen nog propere auto’s en bussen rijden. De rest dumpen we op de parking. Allez, ge weet wel: op de boerenbuiten, over ’t water. Goed gevonden, hé? Dank zij den Bart hé? Kende hem, den Bart?’ [1] 
    • ‘Iedereen die op de toneelschool zit, heeft op een zeker moment af te rekenen met een dip. Toen ik in mijn tweede jaar zat, wou ik weg van de toneelschool. Ik was ook amper achttien. Ik kwam recht van de boerenbuiten, had nog nooit een tram genomen en plots zat ik in Antwerpen op kot, ver weg. Dat was heel heftig.’ [2] 
    • Het zijn vooral de typische vogels van de ‘boerenbuiten’ die pijlsnel achteruitgaan. ‘Omdat onze landbouw te intensief is’, zegt Driessens. ‘De grond wordt tot in de kleinste hoekjes geploegd, er is geen onkruid meer.’ [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Standaard 21 JANUARI 2017 Populair op de Meir
  2. De Standaard 17 DECEMBER 2016 Geheime vluchtwegen, parende kikkers en een kip met afgebeten kop
  3. De Standaard 18 JANUARI 2017 Red de veldleeuwerik, de ringmus en de patrijs