boerenkost

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren·kost
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boerenkost
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boerenkost m [1]

  1. grove, zware spijs die door boeren wordt gegeten; eenvoudige doch voedzame maaltijd
    • Ik kan grof zijn, maar ben geen onmens. Ik ben, eenmaal goed gehumeurd, heus de kwaadste niet. Ik wil zelfs wel eens bij de dorpsherberg afstappen, me onder plebs en grauw begeven en me te goed doen aan hun boerenkost en voetstampwijn. Ik smijt wat zilvergeld om me heen en ben echt niet te beroerd een oud moedertje wat geld toe te stoppen, en naar haar zorgen te luisteren door haar te beloven dat ze tegen de winter gratis en geheel voor niets hout mag sprokkelen en kastanjes mag rapen in een van mijn weelderige bossen.[2] 
    • Plat Préféré. Historisch-culinair programma waarin Jeroen Meus lievelingsgerechten bereidt van bekende mensen uit het verleden op een passende locatie. Deze keer maakt hij langs de route van de Ronde van Vlaanderen, bij de muur van Geraardsbergen, hutspot met varkenspoten, -oren en -staart. West-Vlaamse boerenkost, ter ere van de Vlaamse boerenzoon en wielrenner Briek Schotte, de laatste der ‘Flandriens’.[3]  

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jean-Paul Franssens 5 juli 1993
  3. NRC 4 november 2008