boeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van boer met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boeren
boerde
geboerd
zwak -d volledig

Werkwoord

boeren

  1. het boerenvak uitoefenen
    • Mijn familie boert al verscheidene generaties. 
    • Er wordt steeds meer biologisch geboerd. 
  2. een vak uitoefenen en daar inkomsten mee verdienen
    • Na enkele magere jaren boert de branche weer goed. 
  3. een boer laten
    • Hij boert luidruchtig en laat een scheet. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

boeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boer

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Achterhoeks

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Drents

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Gronings

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Sallands

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Twents

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer


Veluws

Zelfstandig naamwoord

boeren

  1. meervoud van boer