heiboer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hei·boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heiboer heiboeren
verkleinwoord heiboertje heiboertjes

Zelfstandig naamwoord

heiboer m [1]

  1. (beroep) boer die een kleine boerderij heeft op arme grond
    • In zijn column Tukker (20/4) verwijst Hugo Camps naar de eigenschappen die Erik ten Hag door sportjournalisten toegedicht kreeg vanwege zijn Twentse afkomst: Tukker, het accent van een bietenveld, onbereikbaar voor taal, mode en drank, agrarische no-nonsense, gorgelend accent, brabbeltaaltje, sobere heiboer, provinciaal stamboomtukker. Camps: „Zet Ten Hag op een tractor en fluitend bemest hij heel Twente.” In dezelfde krant schrijft Youp van ’t Hek over een rare Twentse tuinkabouter (Paasvuurtjes, 20/4). Het roept bij mij de vraag op of de redactie van NRC minder alert is geworden op stereotyperingen en vooroordelen ten aanzien van bevolkingsgroepen en andere minderheden? [2] 
  2. (pejoratief) domkop, sukkel

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.


Verwijzingen