aardappelboer
Uiterlijk
- Geluid: aardappelboer (hulp, bestand)
- IPA: / ˈardɑpəlbur / (4 lettergrepen)
- aard·ap·pel·boer
- samenstelling van aardappel zn en boer zn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aardappelboer | aardappelboeren |
| verkleinwoord | aardappelboertje | aardappelboertjes |
de aardappelboer m
- (landbouw) (beroep) boer die aardappels verbouwt
- ▸ 'Wil je aardappelboer worden?'
'Ik heb een moestuin aangelegd.[1]- De aardappelprijs is gezakt tot nagenoeg nul. Door het hele land zitten aardappelboeren met bergen piepers. En dat terwijl de prijs voor friet in de supermarkt nauwelijks daalt. „Misschien kunnen we er maar beter wodka van stoken.”[2]
- ▸ 'Wil je aardappelboer worden?'
- (handel) aardappelverkoper
- [1] aardappelteler
- Het woord aardappelboer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026356186 - ↑ www.nrc.nl (25 dec 2025)
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 13
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Landbouw in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Handel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal