hobbyboer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hob·by·boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hobbyboer hobbyboeren
verkleinwoord hobbyboertje hobbyboertjes

Zelfstandig naamwoord

hobbyboer m

  1. iemand die als hobby wat boert
  2. iemand die boeren niet als werk ziet, maar als vrijetijdsbesteding
Verwante begrippen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.