boerenkool

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Boerenkool.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren·kool
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord boerenkool boerenkolen
verkleinwoord boerenkooltje boerenkooltjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord boerenkool -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boerenkool v/m

  1. (groente) een kool met sterk gekrulde bladeren
    • De boerenkool groeit maar in een bepaalde tijd. 
    • Wij houden erg van boerenkool. 
  2. (metonymisch), (overdrachtelijk), (voeding) een stamppot van boerenkool met aardappelen
    • Boerenkool met worst. 
Synoniemen
Vertalingen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie