eierboer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·er·boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eierboer eierboeren
verkleinwoord eierboertje eierboertjes

Zelfstandig naamwoord

eierboer m

  1. (handel) (veeteelt) (beroep) boer of koopman die eieren levert

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.