buur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buur buren
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buur m

  1. een persoon die in andermans omgeving woont
    • Beter een goede buur dan een verre vriend. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
buren

buur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Ik buur. 
  2. gebiedende wijs van buren
    • Buur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Buur je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl