buur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buur buren
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buur m

  1. een persoon die in andermans omgeving woont
    Beter een goede buur dan een verre vriend.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
buren

buur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    Ik buur.
  2. gebiedende wijs van buren
    Buur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    Buur je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl