buur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘die in de omgeving woont’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord buur buren
verkleinwoord buurtje buurtjes

Zelfstandig naamwoord

buur m

  1. een persoon die in andermans omgeving woont
    • Beter een goede buur dan een verre vriend. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
buren

buur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Ik buur. 
  2. gebiedende wijs van buren
    • Buur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buren
    • Buur je? 

Verwijzingen