patatboer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·tat·boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patatboer patatboeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

patatboer m [1]

  1. iemand die patat bakt en verkoopt
    • Heb je geen zin om te koken en wil je het liefst even langs de patatboer? Doe maar niet. Er zitten veel koolhydraten en veel vet in patat, die je lichaam snel opbrandt, waardoor je vrij snel weer honger hebt en een energiedip krijgt. Het vet zorgt voor een hogere bloeddruk, waardoor je je ook niet veel beter gaat voelen. Dit geldt overigens ook voor chips en andere vette snacks die je gedachtenloos naar binnen stopt.[2] 
    • Uit de reacties blijkt dat de kentekencombinatie niet heel belangrijk gevonden wordt. "Rij al jaren rond met 27-VVD-6. Ben eerlijk gezegd niet zo'n Rutte-fan maar heb er geen moeite mee", zegt een deelnemer. Lezers bedenken vaak ook eigen betekenissen achter hun kentekencombinaties. "Zelf heb ik een BMW Isetta uit 1960 met het kenteken AP-41-49 . Dit vind ik grappig omdat ik Ad heet en Patatboer ben", zegt deze lezer.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen