boerenzoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boerenzoon leunt tegen de muur van de schuur
Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·ren·zoon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boerenzoon boerenzoons
verkleinwoord boerenzoontje boerenzoontjes

Zelfstandig naamwoord

boerenzoon m [1]

  1. de zoon van een boer; een jongeling uit de boerenstand
    • Hij begon bij TCS als boerenzoon, die weigerde in de voetsporen van zijn vader te treden, maar liever computertechniek studeerde. Vanaf de jaren tachtig klom hij snel op. In 1999 wist hij de aandacht van de leiding van Tata op zich te vestigen met het opzetten van een afdeling ‘e-business’, die binnen vijf jaar een omzet van een half miljard dollar opbracht.[2] 
    • Ben Feringa behoort tot de vele boerenzonen die een Nobelprijs kregen. Natuurkundige en journalist Margriet van der Heijden, zelf een ‘boerenkleindochter’, vraagt zich af hoe dat komt.[3]  


Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joeri Boom 13 januari 2017
  3. NRC 14 oktober 2016