ober

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ober
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kelner’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ober obers
verkleinwoord obertje obertjes

Zelfstandig naamwoord

ober m

  1. (beroep) een bediende in een restaurant of café
     De Nationale 7 past in dit ideaal van slow driving. Je rijdt door plaatsen die je alleen kent van de borden boven de snelweg. Nevers, Lyon, Valence, Montélimar. Zo vind je jezelf terug op een warme zomeravond op een pleintje in de oude stad van Montélimar, bij restaurant Aux Gourmands, waar de ober vertelt dat de pistachenoten bij de tarte tatin afkomstig zijn van een lokale producent die maar twee bomen heeft.[2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen