schillenboer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

schillenboer
Uitspraak
Woordafbreking
  • schil·len·boer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schillenboer schillenboeren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schillenboer m [2]

  1. (beroep) iemand die voedselresten verzamelt als voer voor de varkens of om er compost van te maken
    • De schillenboer maakt vandaag in Hengelo zijn rentree. In Almelo is de schillenboer nooit verdwenen. Leerlingen van de Oosteresschool houden hun traditie sinds de jaren zestig in leven. [3] 
    • Daarbij komt een proef met gft-containers. Bijzonder, volgens Van Agteren, want „voor heel veel steden is gft-inzameling in de onderzoeksfase”. Hoe om te gaan met de stank en vieze nattigheid van keukenafval is nog onontgonnen terrein. „Als de pilot met gft-containers niet slaagt, moeten we wat anders bedenken. Bijvoorbeeld de schillenboer of gootsteenvergruizers en alles wat we nog meer kunnen bedenken.” [4] 
    • Wat nu? Als ik het al voor elkaar krijg om een groene bak voor mijn appartementencomplex te regelen, dan mag die niet binnen staan. Want, zo stelt de gemeente, dat gaat broeien. Joh. En om zo’n schillenboer vanuit Hengelo te vragen om met z’n bakfiets naar Delden te snellen, is ook zo wat. [5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen