voorlezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·le·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voorlezen
las voor
voorgelezen
klasse 5 volledig

Werkwoord

voorlezen

  1. (ditransitief) hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
    Zijn moeder las hem voor het slapen gaan altijd een verhaaltje voor.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen