voorlezen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- voor·le·zen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voorlezen |
las voor |
voorgelezen |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
voorlezen
- (ditransitief) hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
- Zijn moeder las hem voor het slapen gaan altijd een verhaaltje voor.